Naar inhoud
2.3. Het gezichtsveld
- 2.3.a. Het gezichtsveld mag geen defect of vernauwing vertonen
- 2.3.b. Het meten van het gezichtsveld gebeurt door middel van een intens object (object V/4 van de perimeter van Goldmann of van een gelijkwaardig object) en wel voor elk oog afzonderlijk. Voor de kandidaat met een strabismus gebeurt het meten van beide ogen samen. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bekomen, gebeurt het meten van het gezichtsveld met deze optische correctie.
- 2.3.c. Normen voor de kandidaten van groep 1
- 2.3.c.i. In de horizontale aslijn dient het binoculaire gezichtsveld een amplitudo van ten minste 120° te hebben.
- 2.3.c.ii. De kandidaat die het gezichtsvermogen van één oog verloren heeft of die slechts één oog gebruikt, moet in de horizontale aslijn een gezichtsveld met een amplitude van ten minste 120° hebben. Uitzonderlijk kan, op grond van een gunstig advies van de oogarts, de kandidaat met een horizontaal gezichtsveld kleiner dan 120° of met belangrijke afwijkingen in de andere aslijnen, na een onderzoek, rijgeschikt verklaard worden door de geneesheer van het CARA.
- 2.3.d. Normen voor de kandidaten van groep 2
- 2.3.d.i. In de horizontale as (0°-180°) dient het binoculair gezichtsveld een amplitude te hebben van ten minste 140°, in de verticale as (90°-270°) van ten minste 60° en in de twee intermediaire assen (45°-225° en 135°-315°) van ten minste 100°.
- 2.3.d.ii. Heeft het minder goede oog een gecorrigeerde gezichtsscherpte van minder dan 8/10 dan dient dit oog een gezichtsveld te hebben van ten minste 80° temporaal en 60° nasaal in de horizontale aslijn.