Naar inhoud

2.2. Centrale gezichtsscherpte van ver

  1. Indien de kandidaat verplicht is een optische correctie te dragen om de vereiste gezichtsscherpte te bereiken, moet deze correctie goed verdragen worden. De correctie door brillenglazen mag het gezichtsveld in de horizontale aslijn in geen geval op een significante wijze beperken.
  2. Indien de oogarts het dragen van een optische correctie (een bril of contactlenzen) nodig acht voor het veilig besturen van een motorvoertuig, vermeldt hij dit op het door hem afgeleverd attest.
  3. Het dragen van een optische correctie is verplicht wanneer de kandidaat, zonder deze correctie, niet de vereiste minimum gezichtsscherpte vertoont ofwel omdat de oogarts oordeelt dat een optische correctie noodzakelijk is om de gezichtsscherpte te verbeteren of om te vermijden dat de oogspieren vermoeid zouden geraken hetgeen de visuele functie van de kandidaat op belangrijke wijze zou verstoren.
  4. Normen voor de kandidaten van groep 1
    1. De kandidaat moet, zo nodig met een optische correctie, een binoculair gezichtsscherpte van ten minste 5/10 hebben.
    2. De kandidaat die het gezichtsvermogen van één oog volledig verloren heeft of die slechts één oog gebruikt, moet, zo nodig met een optische correctie, een gezichtsscherpte van ten minste 6/10 hebben.
  5. Normen voor de kandidaten van groep 2
    1. De kandidaat dient, zo nodig met een optische correctie, te beschikken over een gezichtsscherpte van ten minste 8/10 voor het beste oog en 5/10 voor het minder goede oog.
    2. Een oogarts bepaalt wanneer de kandidaat opnieuw rijgeschikt is en de geldigheidsduur.
    3. Om aan de minimumnormen te voldoen, mag de kandidaat met een pseudofakie een bijkomende optische correctie (bril of contactlenzen) dragen. Intraoculaire lenzen worden niet als corrigerende lenzen beschouwd en impliceren geen rijongeschiktheid, tenzij zich problemen, zoals dubbelbeelden, voordoen.