Naar inhoud

1.1. Stoornissen van de gezichtsscherpte

1.1.a. Blindheid: Art. 723

1.1.b. Verlies van het gezichtsvermogen van een oog terwijl het ander oog normaal is

1.1.c. Vermindering van het centrale gezichtsvermogen aan een oog of aan beide ogen

Opmerkingen

  1. De gezichtsscherpte voor de verte zal bepaald worden met de optimale gewone optische correctie (bril of glazen in pasmontuur), bij middel van optotypen met goed contrast, aangepast aan de onderzoeksafstand.

    Men gebruikt bij voorkeur een decimale optotypenschaal (Rasquin).

    De gezichtsscherpte voor dichtbij zal bepaald worden bij middel van een aangepaste test (zoals deze van Parinaud of Rosenbaum), na optimale correctie van eventuele refractieafwijkingen en van de presbyopie. Men onderzoekt steeds elk oog afzonderlijk en beide ogen samen.

  2. Zo de gezichtsscherpte aan elk oog afzonderlijk duidelijk lager is als met beide ogen samen (vb Bij nystagmus), berekent men de invaliditeit overeenkomstig de volgende regel: “Men kent aan het slechtste oog de gezichtsscherpte toe dat binoculair werd bepaald, waarna men in bijgevoegde tabel de invaliditeit kan aflezen”.

    Zo er een vermindering van de gezichtscherpte voor de verte bestaat, evenwel met behoud van de mogelijkheid om van dichtbij te lezen, mag het invaliditeitspercentage, geschat overeenkomstig artikel 728, niet meer dan 70% bedragen.

  3. De bepaling van de gezichtsscherpte zal in sommige gevallen slechts een schatting zijn, die methodisch gestaafd zal worden. Het zal soms nuttig zijn het onderscheid te maken tussen de aangegeven gezichtsscherpte en deze aangetoond met verwarringstesten.

1.1.c.i. Art. 728

In de hieronderstaande schattingstabel, duidt de eerste verticale kolom de gezichtsscherpte aan van het ene, de eerste horizontale kolom, deze van het andere oog aan. Het cijfer in de rechthoek, gemeen aan beide kolommen, duidt het percentage van de invaliditeit aan voor de vermindering van de globale gezichtsscherpte.

Gezichtsscherpte

1,0 tot 0,80

0,70

0,60

0,50

0,40

0,30

0,20

0,15

0,10

0,05

<0,05

0

1,08 tot 0,8

0

2

3

4

5

7,5

12

16

20

23

25

30

0,70

2

3

4

5

7

10

14

18

22

25

27

32

0,60

3

4

6

7

9

12

17

20

24

27

30

37

0,50

4

5

7

10

12

15

20

22

26

30

35

41

0,40

5

7

9

12

15

20

23

25

28

35

40

46

0,30

7,50

10

12

15

20

25

30

35

40

50

55

60

0,20

12

14

17

20

23

30

45

50

60

70

76

82

0,15

16

18

20

22

25

35

50

60

70

80

85

90

0,1

20

22

24

26

28

40

60

70

80

85

90

95

0,05

23

25

27

30

35

50

70

80

85

90

95

100

<0,05

25

27

30

35

40

55

76

85

90

95

100

100

0

30

32

37

41

46

60

82

90

95

100

100

100

Opmerkingen

1.1.c.ii. Art. 728 bis

Cornea astigmatisme van traumatische oorsprong, gelijk aan of hoger dan 4 dioptrieën:

  1. aan één oog
  2. aan beide ogen

Deze percentages mogen niet gecumuleerd worden met de percentages voorzien in de artikels 723 tot 746.

1.1.c.iii. Art. 728 ter

Dit artikel mag slechts toegepast worden na voorafgaande vaststelling van de scotomen in het centrale gezichtsveld bij middel van een perimetrische of een campimetrische methode. De invaliditeit veroorzaakt door paracentrale of centrale scotomen, gelegen binnen een straal van 5° van het fixatiepunt, wordt geschat door het vermogen om te lezen te testen bij middel van een gewoon drukwerk, zoals een krant of een boek. Het onvermogen om te lezen kan het gevolg zijn van een gebrekkige centrale gezichtsscherpte; in dit geval wordt de invaliditeit bepaald overeenkomstig artikel 728.

Zo daarentegen het onvermogen om te lezen, met behoud van de centrale gezichtsscherpte, bijvoorbeeld veroorzaakt wordt door een scotoom dat het fixatiepunt benadert, wordt de invaliditeit geschat als volgt:

1. Het totaal onvermogen om een doorlopende tekst te lezen, omwille van scotomen in het centrale gezichtsveld:
  1. aan één oog 10 %
  2. onvermogen om te lezen in binoculair zicht 30 %
2. Merkbare stoornis bij het lezen van een doorlopende tekst, omwille van scotomen in het centrale gezichtsveld:
  1. aan één oog 1 tot 3
  2. aan beide ogen samen 3 tot 10

De invaliditeitspercentages, voorzien in dit artikel, mogen niet gecumuleerd worden met deze van de artikels 728 en 728 bis.

1.1.d. Perifeer gezichtsvermogen / gezichtsveld

De invaliditeitspercentages van deze rubriek zijn gebaseerd op de relatieve waarden van de verschillende zones van het gezichtsveld (volgens Esterman):

Basisprincipes:

Een arbitraire waarde van 100 wordt gegeven aan het gezichtsveld van één oog, waarbij de zone van 5°, te vertrekken van het fixatiepunt, niet wordt meegerekend. De aantasting van deze centrale zone van het gezichtsveld valt onder rubriek C.

De tabellen A en B hieronder geven de relatieve waarden weer van de verschillende zones van het gezichtsveld.

Het volledig verlies van één van deze zones komt overeen met een cijfer dat als basis dient voor de invaliditeitsberekening.

Deze berekening gebeurt als volgt:

Deze cijfers zijn richtinggevend om de geneesheerexpert toe te laten de strakheid van artikels 729 tot 734 van de invaliditeitsschaal te milderen. De invaliditeitspercentages in deze artikels vastgelegd, zijn afgeleid uit de hierboven beschreven basisprincipes.

Tabel A

Relatieve waarden van kwadranten en hemi-velden

Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste…

14

19

33

Onderste…

27

40

67

Totaal verticale…

41

59

100

Tabel B

Relatieve waarden van de concentrische zones

Van de periferie tot

60°

50°

40°

30°

20°

10°

Relatieve waarde

10

20

35

50

72

94

100

Opmerkingen:

  1. Alleen de absolute defecten worden in acht genomen. Deze moeten bepaald worden aan elk oog afzonderlijk met een apparaat dat toelaat een nauwkeurige topografie op te nemen en met de grootst mogelijke test, bijvoorbeeld, wit V/4 van de perimeter van Goldmann. Wanneer een dergelijke techniek onmogelijk is, gezien de toestand van de patiënt, kan men een meer eenvoudige techniek toepassen. Bijvoorbeeld bij een neerliggend persoon die bewust is en goed meewerkt, maakt de confrontatietest een relatief nauwkeurige aflijning van de absolute defecten van het gezichtsveld mogelijk.

    In ieder geval moet in het verslag betreffende het onderzoek vermeld worden welke techniek gebruikt werd (apparaat, testobjecten, enz.).

  2. De absolute of relatieve defecten in de centrale zone (5° straal), die de gezichtsscherpte en/of de mogelijkheid tot lezen aantasten, worden behandeld in rubriek C.

  3. De concentrische vernauwingen van het gezichtsveld komen niet in aanmerking in afwezigheid van objectieve letsels. Bij twijfel, bijvoorbeeld bij twijfelachtige of zelfs bij duidelijke ontkleuring van de papil, moet men de gebruikelijke controletechnieken aanwenden (herhaalde onderzoeken, andere meettechnieken, simulatieproeven, enz.).

  4. De invaliditeitsschalen vastgelegd in rubriek D, betreffen enkel de gezichtsvelduitvallen, met uitzondering van elk andere afwijking van de gezichtsfunctie. Men moet ze dus samentellen, indien nodig, met de waarden vastgesteld in andere rubrieken, vooral met diegene die voorzien zijn voor aantasting van gezichtsscherpte en centraal gezicht (zie opmerking 2 hierboven).Het totaal mag de 30 % niet overtreffen voor één oog en de 100 % voor de twee ogen samen.

Toepassing:

1. Regelmatige defecten

Onder regelmatige defecten verstaat men deze waarvan de grenzen samenvallen met de verticale en horizontale meridianen van het gezichtsveld, alsook de ongeveer concentrische beperkingen.

1° Bilaterale quadranopsie of hemianopsie

Art. 729

Homonieme quadranopsie of hemianopsie

Tabel 1

Linkse

Rechtse

Totale horizontale

Bovenste

13%

15%

28%

Onderste

27%

30%

57%

Totale verticale

40%

45%

Art. 730

Heteronieme quadranopsie of hemianopsie

Tabel 2

Binasale

Bitemporale

Bovenste

6%

8%

Onderste

10%

16%

Totale verticale

16%

24%

2° Quadranopsie of hemianopsie bij een éénogige

Art. 731

De percentages die voorkomen in tabel 3, moeten samengeteld worden met het invaliditeitspercentage voor het verlies van het andere oog, om het totale percentage te bekomen van de ooginvaliditeit.

Tabel 3

Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste

2%

16%

28%

Onderste

23%

34%

57%

Totale verticale

- rechtse

40% 45%

- linkse

33% 48%

3° Quadranopsie of hemianopsie aan één oog

Art. 732

Tabel 4

Nasale

Temporale

Totale horizontale

Bovenste

3%

4%

7%

Onderste

6%

8%

14%

Totale verticale

9%

12%

4° Concentrische vernauwingen

Ter herinnering: er dient rekening gehouden te worden met de opmerkingen 2 en 3 bovenaan in rubriek D.

Art. 733

Tabel 5

Temporale straal v/h geichtsveld dat overblijft

Aan één oog

Aan beide ogen

Bij een éénogige toeslag (*)

60°

2%

9%

6%

50°

4%

17%

12%

40°

7%

30%

19%

30°

10%

42%

30%

20°

14%

61%

43%

10°

19%

80%

56%

20%

85%

60%

(*) Toe te voegen aan de invaliditeitspercentages die voorzien zijn in het artikel van rubriek B.

Onregelmatige defecten

De onregelmatige defecten van het gezichtsveld zijn deze die hierboven (rubriek D1) niet vermeld worden, evenals de paracentrale, arciforme en andere scotomen.

De defecten in de centrale zone (5° straal of minder) tasten in het algemeen de gezichtsscherpte en/of de leesvaardigheid aan; zij vallen aldus onder toepassingen van rubriek C en worden hier niet beschouwd, wat niet belet dat een paracentraal scotoom, dat storend is zonder nochtans de gezichtsscherpte aan te tasten, een invaliditeit tot gevolg kan hebben (zie art 728ter). De invaliditeit, veroorzaakt door een onregelmatig perimetrisch defect, kan moeilijk nauwkeurig vastgesteld worden.

Met moet deze dus bepalen door overeenkomst met regelmatige defecten, waarbij men rekening zal houden met de betrekkelijke waarden van de verschillende zones van het gezichtsveld. (Het gebruik van het Esterman rooster is hier aangewezen.)

Art. 734

Onregelmatige defecten van het gezichtsveld (zie tabellen A en B).

a) aan één oog - 0% tot 20%

b) aan beide ogen, in verschillende zones - 0% tot 40%

c) aan beide ogen, in dezelfde zones - 0% tot 85%

N.B.: Het vooropgesteld invaliditeitspercentage moet verantwoord worden door een schema van het gezichtsveld dat bij het verslag dient gevoegd te worden.

1.1.e. Licht-en kleurzin

1.1.e.i. Art. 735 5 tot 15%

Uitgesproken en binoculaire aantasting van de globale lichtzin, met vermindering van de absolute gevoeligheid tot een honderdste of tot minder dan een honderdste van deze van een normale proefpersoon van dezelfde leeftijd mag slechts toegekend worden indien de binoculaire gezichtsscherpte ten minste 2/10 bedraagt en indien de straal van het binoculair gezichtsveld niet tot minder dan 10° vernauwd is.

Deze uitgesproken aantasting van de lichtzin moet vastgesteld worden na ten minste een kwart uur adaptatie aan de duisternis en met behulp van een adaptometer die, zoals het apparaat van Goldmann-Weekers, de bepaling toelaat van de globale gevoeligheid van het volledig binoculair gezichtsveld.

Een vermindering van de gevoeligheid tot een honderdste beantwoordt aan 2 logaritmische eenheden van de instrumentale schaal. Het moet opgemerkt worden dat een elektroretinografisch onderzoek toelaat een dergelijke uitgesproken aantasting van de lichtzin te objectiveren.

1.1.e.ii. Art. 736 3 tot 6 %

Uitgesproken, binoculair en verworven aantasting van de maculaire kleurenzin, waarbij het normaal trichromatisme herleid wordt tot een dichromatisme of tot een achromatopsie mag slechts toegekend worden indien de binocularie gezichtsscherpte tenminste 2/10 bedraagt. Deze uitgesproken aantasting van de kleurenzin moet bepaald worden met behulp van één of meerdere kwantitatieve testen zoals de Panel D-15 (alle mogelijke verwarringen die parallel zijn aan een bepaalde as), de AO H-R-R (ten minste “medium”) of de anomaloscoop (mogelijkheid van volledige equaties tussen rood en geel en tussen groen en geel in het geval van dichromatisme in een rood-groen as).

De test van Ishihara laat niet toe deze erge aantasting te onderscheiden van de minder uitgesproken defecten.

1.1.f. Stoornissen van het binoculair zicht en van de motiliteit

1.1.f.i. Art. 737 Verlies van het binoculair zicht 0 %

Het verlies of het gemis van het binoculair zicht geeft geen recht op enige invaliditeit welke hoger zou zijn dan deze voorzien voor de ermee gepaard gaande aandoening(en).

1.1.f.ii. Art. 738

Volledige of onvolledige uitwendige oogspierverlammingen. Het bestaan van de diplopie moet aangetoond worden door de Lancaster- of de Hess-Leestest, ofwel door een andere gelijkwaardige methode.

Het bereik van de diplopie wordt bepaald met behulp van een perimeter langs vier meridianen (verticaal, horizontaal en tweemaal schuin), door het vaststellen van het blikveld in niet gedissocieerd binoculair zien.

Zo aan de diplopie kan verholpen worden, in primaire stand van de blik, door het dragen van een prismatisch glas van maximum 8 prismatische dioptrie (of van 4 P.D. voor ieder oog), dient, bij de vaststelling van het blikveld van de diplopie, rekening gehouden met deze prismatische correctie.

1. Gezichtsscherpte gelijk of hoger dan 0,8 aan beide ogen
2. Gezichtsscherpte lager dan 0,80 aan één oog of aan beide ogen:

De invaliditeit bij een persoon, tegelijkertijd aangedaan door een vermindering van de gezichtsscherpte en een diplopie, wordt vastgesteld door het invaliditeitspercentage voor de vermindering van de gezichtsscherpte te schatten overeenkomstig art. 728, daarbij wordt het invaliditeitspercentage van de diplopie gevoegd, geschat overeenkomstig art. 738 a,

b, c, d, doch op een billijke en verantwoorde wijze verminderd, rekening houdende met de noodzakelijkheid tot occlusie van het oog waarvan de gezichtsscherpte het minst goed of het beste is.

Opmerking:

Het staat vast dat gevallen, waarin het oog dat de occlusie noodzaakt een merkelijk betere gezichtsscherpte vertoont dan het andere oog, zelden voorkomen. Vooraleer een bestendig invaliditeitspercentage vast te stellen, dienen de mogelijkheden tot wederaanpassing van de patiënt te worden nagegaan. Bijvoorbeeld, de progressieve verbetering van de gezichtsscherpte van een verzwakt oog met een gepaste correctie, of nog, de aanpassing van de patiënt aan het gebruik van een door een oogspier verlamming getroffen oog, ondanks de verkeerde projectie.

Eveneens dient rekening gehouden met gevallen, waarin de patiënt niet over een normaal binoculair zicht beschikt voor de schadelijke feiten. Alsnog bestaat de mogelijkheid dat er een verbetering optreedt (inhibitie scotomen), die de diplopie vermindert of zelfs uitschakelt.

1.1.f.iii. Art. 739 Interne verlammingen

Volledige interne oftalmoplegie:

1.1.f.iv. Art. 740 Mydriase zonder andere letsels en met functionele symptomen, volgens de pupildoormeter

1.1.f.v. Art. 741

1. Unilaterale iris-coloboom en iridodialyse:
2. Bilaterale iriscoloboom en iridodialyse:

De percentages voor ieder oog samen tellen.

N.B. Alle percentages vermeldt in de artikelen 739, 740 en 741 houden ook de esthetische schade in, voortvloeiend uit het beschreven letsel.

1.1.g. Opaciteiten van de brekende media:

1.1.g.i. Art. 742

Cataract, dat een vermindering van de gezichtsscherpte veroorzaakt: bij de toepassing van de artikels 723 tot 728 moet rekening gehouden worden met de volgende richtlijnen:

1. Unilaterale cataract:

a) Verworven en heelbaar:

b) Aangeboren of niet heelbaar (*)

Zie artikels 724, 724bis en ter, 728 en 728ter.

2. Bilaterale cataract (aangeboren of verworven)

  1. Indien de cataract aan beide ogen heelbaar is: artikels 728 en 728ter toepassen tot teen maximum van 50 %, hierin begrepen de zichtbare misvorming;
  2. Indien slechts aan één oog de cataract heelbaar is: artikels 728 en 728ter toepassen tot een maximum van 85 %;
  3. Indien aan geen van beide ogen de cataract heelbaar is (*): zie artikels 723bis, 723ter, 728 en 728ter.

N.B. De hulp van een 3de persoon kan voorzien worden in dit laatste geval (2/3), maar niet in de 1ste 2 (2/1 en 2/2).

1.1.g.ii. Art. 743 Unilaterale afakie met bewaring van het professioneel zicht van het andere oog:

15 % toevoegen aan de helft van het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel; het zo bekomen globaal percentage mag echter 25 % niet overschrijden.

1.1.g.iii. Art. 743 bis Unilaterale pseudofakie met bewaring van het professioneel zicht van het andere oog:

10 % toevoegen aan de 2/3 van het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel; het zo bekomen globaal percentage mag echter 25 % niet overschrijden.

1.1.g.iv. Art. 744 Unilaterale afakie, indien de gezichtsscherpte van het andere oog niet meer dan 3/10

20 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter de 100 % niet overschrijden.

(*) De vaststelling dat een cataract niet heelbaar is, moet door een oogarts in een omstandig gemotiveerd verslag vooropgesteld worden en zal door de deskundige beoordeeld worden. Bij de vaststelling dat een cataract niet heelbaar is, dient rekening gehouden met lokale of algemene somatische factoren, evenals met morele bezwaren.

(**) Deze artikels werden niet gepubliceerd in het Staatsblad en zijn nog steeds een voorstel.

1.1.g.v. Art. 744bis**

Unilaterale pseudofakie, indien de gezichtsscherpte van het andere oog niet meer dan 3/10 bedraagt:

15 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter 100 % niet overschrijden.

1.1.g.vi. Art. 745

Bilaterale afakie (geopereerde of geresorbeerde bilaterale cataract): 25 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter de 100 % niet overschrijden.

N.B.: Bij de toepassing van artikels 743, 744 en 745 meet men de gezichtsscherpte van het afaak oog na optische correctie (bril of glazen op een pasbril).

1.1.g.vii. Art. 745bis Subluxatie van de lens 0 tot 5 %

Percentagevermeerdering zonder mogelijkheid van samenvoeging met een rechtstreeks verbonden letsels van het voorste segment (vb Mydriase).

1.1.g.viii. Art. 745ter**

Bilaterale pseudofakie: 20 % toevoegen aan het invaliditeitspercentage voorzien door de gezichtsscherptetabel. Het zo bekomen globaal percentage mag echter 100 % niet overschrijden.

N.B. Bij de toepassing van artikels 743bis, 744bis en 745ter wordt er onder de gezichtsscherpte in de pseudofakie bedoeld, de gezichtsscherpte bekomen met implant en na supplementaire correctie (bril of glazen op een pasbril).

De percentages voor deze artikels 743bis, 744bis en 745ter zijn niet cumuleerbaar met de percentages toegekend in functie van de artikels 740 en 741.

(**) Deze artikels werden niet gepubliceerd in het Staatsblad en zijn nog steeds een voorstel.

Nota: In geval van belangrijke anisometropie gelijk of hoger dan 3 dioptrie bij een unilaterale pseudofakie, zal het percentage voorzien door artikels 743bis en 744bis verhoogd worden met een percentage tussen 3 en 5 %. Het maximumcijfer van 5 % stemt overeen met een anisometropie van meer dan 5 dioptrie hypermetropie voor de verte (het pseudofakische oog het meest hypermetropische zijnde).

Opmerkingen:

1.1.g.ix. Art. 746 Belangrijke en prepupillaire hoornvlieslittekens.

  1. De gezichtsscherpte verminderend tot minder dan 8/10: Artikels 728 en 728ter toepassen.

    N.B. In geval van een belangrijk, t.t.z. een uitgebreid en dens (porseleinachtig) hoornvlieslitteken met zichtbare misvorming, is het soms aangewezen het zo bekomen percentage te verhogen met een maximum van 3 %

  2. Zonder vermindering van de gezichtsscherpte tot minder dan 8/10. Het litteken moet met het blote oog zichtbaar zijn, het moet ook bij de skiascopie zichtbaar zijn en aanleiding geven tot een misvorming van het oftalmometrisch beeld of van het beeld van de Placido-schijf. Het moet aanleiding geven tot subjectieve klachten die geobjectiveerd zullen worden enerzijds door de vergelijking van het gezichtsvermogen voor de verte en van dichtbij met gewone verlichting en met hevige verlichting en anderzijds door de biomicroscopische gegevens. Dit alles wegens de invloed van de toestand van de pupil (rol van de verlichting, van de accommodatieconvergentieverhouding en van de optische verstrooiing).
    • Puntvormig, dens, centraal of zeer dicht bij het centrum tot 1 %
    • Uitgebreid, dens, centraal of dicht bij het centrum 0 tot 2 %

N.B. Het begrip hoornvlieslitteken houdt een op definitieve wijze gestabiliseerde cicatriciële toestand in, met uitsluiting van alle evaluatieve opaciteiten.

Naar boven