2.1. Algemene bepalingen
De kandidaat van groep 1 of 2 wendt zich tot een oogarts van zijn keuze voor het op visueel vlak bepalen van de rijgeschiktheid en de geldigheidsduur ervan.
De kandidaat die een acute of een chronisch evolutieve aandoening van de ogen of van de adnexae vertoont die de werking ervan zodanig stoort dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt is niet rijgeschikt.
Na het plotseling geheel of gedeeltelijk verlies van het gebruik van één oog, na een ingreep die een invloed kan hebben op het zicht, na een oogverlamming die aanleiding geeft tot diplopie in de primaire stand van de blik is de kandidaat niet rijgeschikt.
Een oogarts bepaalt wanneer de kandidaat opnieuw rijgeschikt is en de geldigheidsduur.
Om aan de minimumnormen te voldoen mag de kandidaat met een pseudofakie een bijkomende optische correctie (bril of contactlenzen) dragen. Intraoculaire lenzen worden niet als corrigerende lenzen beschouwd en impliceren geen rijongeschiktheid, tenzij zich problemen, zoals “dubbelbeelden”, voordoen.
